Het principe van Poo

In 2007 verscheen het boek Biecht van een kardinaal van de Franse schrijver Olivier Le Gendre. Een niet bij naam genoemde kardinaal, die jarenlang aan het hoofd stond van een belangrijk pauselijk ministerie, heeft zijn bestuurlijke verantwoordelijkheden neergelegd en vraagt de auteur hem te helpen bij het schrijven van zijn memoires. Ze besluiten tot drie samenkomsten van telkens een week. De eerste vindt plaats in Rome, de tweede in Avignon en de derde in een niet nader bepaalde Zuidoost-Aziatische stad, waar de kardinaal zijn intrek genomen heeft in een tehuis voor kinderen met aids.

Toen het boek verscheen, werkte ik nog niet voor JRS. Onlangs nam ik het weer ter hand, vooral het derde deel. Daarin vertelt de kardinaal hoe hij vaak urenlang stilzwijgend aan het bed zit van een terminaal zieke man, Poo geheten. Poo is boeddhist; hij heeft geen enkele notie van het christendom en beseft evenmin dat naast hem een kardinaal van de katholieke kerk zit. De kardinaal kan weinig voor Poo doen. Omdat hij de taal niet goed beheerst, kan hij ook niet veel met hem praten. De man heeft trouwens zelf geen behoefte aan een gesprek.

JPEG - 2.7 MB

Gedurende vijftig jaar heeft de kardinaal zijn steentje bijgedragen tot het uiterlijk functioneren van de kerk. Nu hij met emeritaat gegaan is, wenst hij terug te keren tot de essentie: de tederheid van God voelbaar maken voor de gekwetsten, de verschoppelingen, de mensen als Poo. Na zovele jaren is zijne eminentie tot de overtuiging gekomen dat de zending van de kerk er op de eerste plaats in bestaat de liefde van God voelbaar te maken, vooral voor hen die ze het meeste nodig hebben, alvorens die liefde te onderwijzen. Hij noemt dat ‘het principe van Poo’.

Wanneer de kardinaal de schrijver tot bij de stervende Poo gebracht heeft, zegt hij: ‘Ik heb u niet bij hem gebracht opdat u hem zou zien, maar opdat hij ten diepste zou voelen dat hij belangrijk is. Begrijpt u? Twee vreemdelingen, daarbij nog westerlingen, die een groot deel van de namiddag zonder iets te doen bij hem blijven, enkel en alleen opdat hij niet alleen zou zijn. Is dat geen bewijs dat hij opnieuw “iemand” geworden is, een “persoon”… hij die zonder enige twijfel nooit als belangrijk werd beschouwd en die door de ziekte herleid werd tot een stilzwijgend skelet’ (Nederlandse editie, Leuven, Davidsfonds, blz. 273).

Is dat niet wat JRS probeert in praktijk te brengen? In de gesloten centra kunnen we weinig doen voor de mensen. Aan hun situatie kunnen we meestal niets veranderen. Maar we kunnen hen wel Gods tederheid brengen, hen door onze aanwezigheid en ons luisteren weer het gevoel geven dat ze ‘iemand’ zijn.

Pieter-Paul Lembrechts SJ
bezoeker in het gesloten centrum van Merksplas